De tijd van het jaar is niet het warmste, zo merken we tijdens het ontwaken. Mijn betere helft steekt het eerste been uit bed, en als zij de badkamer betreedt slaat de schrik haar koud om het hart. Ik ben klaarwakker als het verwijt klinkt dat ik de radiator van het schone kamertje heb dichtgedraaid. Ik weet dat er meer aan de hand moet zijn want ik waag me nimmer te bezondigen aan zo’n vermetele daad. En ja hoor, de ketel weigert dienst.
We bellen en spreken af rond het middaguur het varkentje te laten wassen. Ik dien eerst de plaatselijke tandartspraktijk te bezoeken. Als ik in de bekende stoel plaatsneem klaagt mijn tandarts dat het veel te warm is in het vertrek. Gemengde gevoelens overheersen. Doorgaans poets ik in de praktijk graag de plaat, maar dit keer is de behandeling aangenaam warm. Thuisgekomen installeer ik me op de bank, wachtend op de komst van de monteur. Ik verkwik het verkilde gemoed met reisverslagen van de poolreizigers De Veer en Amundsen, de langspeler laat ‘Antarctica’ fris klinken. Een warme trui helpt een handje, Scandinavisch bloed in de aderen houdt de moed erin. Maar desondanks daalt de temperatuur tot op het bot. Ik bewaar geduld. Als we ’s avonds net voorbij de warme maaltijd zijn, belt er eindelijk iemand aan. Een slag op de ketel zet een vastzittend onderdeel weer in beweging. De radiatoren tikken van plezier en een half uur later zakken we vertrouwd knus op de bank. We zijn het ongerief alweer vergeten. Vanzelfsprekend.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten